Nederlands is een complexe taal. Dit is niet zo zeer een mening, maar waarschijnlijk een feit. Een van de dingen die de taal zo moeilijk maakt is dat de woordvolgorde in een zin moeilijk is om te begrijpen en om te leren. In deze blog proberen we de basisstructuur van Nederlandse zinnen te bespreken. In het eerste deel van de blog hebben we het over de Nederlandse basiszinnen en de onderdelen hiervan. Hierna, in het tweede deel van deze blogpost, hebben we het over de elementen die kunnen toegevoegd worden aan een zin om deze uit te breiden.

We hebben geprobeerd om het zo eenvoudig mogelijk te houden. Het leren van de Nederlandse zinsstructuur zal altijd moeilijk blijven en dat komt eerst en vooral doordat er een groot aantal toevoegingen zijn. Deze zal je simpelweg moeten leren. Veel succes met het leren van dit onderdeel van de Nederlandse taal, we zijn er zeker van dat je het aankan!

Nederlandse zinnen
Standaard Nederlandse zinnen
De beste leraren Rock gitaar beschikbaar
Joachim
Joachim
20€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Thomas
5
5 (5 reviews)
Thomas
18€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Sofie
Sofie
18€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Emily
Emily
15€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Jasper
5
5 (1 reviews)
Jasper
30€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Stéphanie
Stéphanie
17€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Johan
Johan
25€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Wannes
Wannes
20€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Joachim
Joachim
20€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Thomas
5
5 (5 reviews)
Thomas
18€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Sofie
Sofie
18€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Emily
Emily
15€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Jasper
5
5 (1 reviews)
Jasper
30€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Stéphanie
Stéphanie
17€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Johan
Johan
25€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Wannes
Wannes
20€
/u
Gift icon
1e les gratis!
Let's go

Een Standaard Nederlandse zin

Eerst en vooral bespreken we de woordvolgorde in Nederlandse zinnen. Hierna bespreken we een standaard zin voordat we verdergaan met de toevoegingen aan de zinnen. Zoals we eerder vermeld hebben, bespreken wij de basisregels. Helaas is het Nederlands een complexe taal dus er zijn een hele hoop mogelijke toevoegingen. Maar je zal ergens moeten beginnen en dat is wat we hier zullen doen.

Een Nederlandse zin bestaat in het algemeen uit de volgende onderdelen in deze volgorde: Onderwerp, direct Nederlands werkwoord, tijdsaanduiding, manier, plaats, andere werkwoorden. Er bestaan zinnen waar alle onderdelen worden gebruikt maar dit is niet altijd het geval. De volgende zinnen gebruiken alle onderdelen: Ik heb vanmorgen met tegenzin in de sportschool getraind. In deze zin is “ik” het onderwerp, “heb” is het directe, “vanmorgen” is de tijdsaanduiding, “met tegenzin” is de wijze waarop, “in de sportschool” is de locatie en als laatste “getraind” is hij toegevoegde werkwoord. In het engels zou deze zin als volgt gaan: “This morning I went to the gym reluctantly”

De volgende zinnen kunnen je helpen met het leren van de structuur

Voordat we het hebben over het toevoegen van extra onderdelen in de zinnen, gaan we eerst de meest standaard Nederlandse zin die gevormd kan worden bespreken. De meest eenvoudige Nederlandse zin bestaat uit een onderwerp, werkwoord en zelfstandige naamwoorden. Met die drie woordsoorten kan bijvoorbeeld de volgende zin vormen: Loes en Jaap (Typische Nederlandse namen!) zullen komen eten. In het Engels zou deze zin als volgt gaan: “Loes and Jan are coming for dinner." 

Is het het je al opgevallen dat de structuur volledig verschild van de Engelse zinsstructuur?! In deze zin zijn “Loes” en “Jaap“  het onderwerp, “zullen” is het werkwoord, en “komen eten” zijn toegevoegde werkwoorden. 

Woorden Toevoegen
Woorden die extra worden toegevoegd

Het toevoegen van extra onderdelen an de zin

De volgende extra onderdelen kunnen worden toegevoegd aan een zin. Er zijn veel elementen die kunnen worden toegevoegd, wij hebben er 5 gekozen om te bespreken.

Het lijdend voorwerp

Wanneer je het vrij vertaald naar het engels, zou het lijdend voorwerp het “direct object” zijn. Je kan het ‘lijdend voorwerp’ vinden door de volgende vraag te stellen: Wat [werkwoorden] “het onderwerp”? Het antwoord op deze vraag is het lijdend voorwerp van de zin. We gebruiken de volgende zin als voorbeeld: “Hij bakt een appeltaart” ( in het engels zou dit zijn “He is baking an apple pie”). De vragen zouden dan zijn: “Wat bakt hij? of “What is he baking?”. Het antwoord op deze vraag is “De appeltaart” en dit is het lijdend voorwerp van deze zin.

Het zou te gemakkelijk zijn als het lijdend voorwerp altijd op dezelfde plaats zou staan. Helaas is dit niet het geval. Om de juiste plaats van het lijdend voorwerp te vinden moet je beslissen  of het lijdend voorwerp bepaald of on bepaald is. Het lijdend voorwerp wordt altijd in het midden van een zin geplaatst. 

een bepaald lijdend voorwerp is een voorwerp dat start met “de” of “het”  of een lijdend voorwerp start met “mijn”, “jouw”,”die”, “dat”, “Deze”, “Dit”. Een bepaald lijdend voorwerp is ook elke persoon, stad, boek titel, en zo verder. 

Een onbepaald lijdend voorwerp is een dat begint met een nummer, met “een” of met een onbepaald voornaamwoord (deze zal je zelf even moeten Googelen, deze wordt namelijk niet in deze blog uitgelegd. Er zijn nog een paar uitzonderingen die besproken zouden kunnen worden, maar we zijn er bijna zeker van dat je hoofd nu al draait van alle informatie. Daarom is het tijd voor het volgende onderwerp

Man_Studeert_Nederlands
Man die zelfstandig Nederlands leert

Het meewerkend voorwerp 

Het meewerkend voorwerp is de ontvanger van het lijdend voorwerp. Gewoonlijk zal het meewerkend voorwerp starten met “aan” of “voor”. Om dit beter uit te leggen gebruiken we de volgende voorbeeld zin: “De kok had een heerlijke maaltijd voor ons bereid.” 

In deze zin is “de kok” het onderwerp, “had” is een werkwoord, “een heerlijke maaltijd” is het lijdend voorwerp ( we zijn er van overtuigd dat je dit zelf al wist door gebruik te maken van de vraag uit het vorige deel!) en het meewerkend voorwerp is “voor ons”. Het meewerkend voorwerp is ook altijd in het midden van een zin geplaatst. 

Bijvoeglijke naamwoorden

De bijvoeglijke naamwoorden zijn relatief simpel, in het Engels heten ze the Adjectives. Er zijn honderden, of misschien wel duizenden bijvoeglijke naamwoorden in het Nederlands. Deze worden bijna altijd in combinatie met een naamwoord gebruikt. Een bijvoeglijk naamwoord kan voor het naamwoord worden geplaatst maar dit is niet altijd het geval. Ze kunnen ook in aparte delen van een zin geplaatst worden. Bijvoeglijke naamwoorden kunnen op 4 verschillende manieren gebruikt worden. In het Nederlands zijn de vier manieren als volgt beschreven. 

Attributief ( van het Engelse werkwoord: To Attribute): in dit geval is het bijvoeglijk naamwoord altijd net voor het naamwoord geplaatst. Vervolgens kunnen bijvoeglijke naamwoorden ook afzonderlijk gebruikt worden. Een bijvoeglijk naamwoord is afzonderlijk in de volgende zin: Wil je een rode of een witte? Het naamwoord is niet vermeld in deze zin. Een bijvoeglijk naamwoord kan ook predicatief zijn. In de zin “De auto is rood” is het bijvoeglijk naamwoord predicatief.

Ten laatste, een bijvoeglijk-naamwoord kan bijwoordelijk zijn. “De auto rijd snel” dit is een zijn met een bijwoordelijk bijvoeglijk naamwoord. Zoals je het kan zien, kan het bijvoeglijk naamwoord overal in de zin, afhankelijk van de situatie, geplaatst worden. 

Wederkerend werkwoord 

Het wederkerend werkwoord is een moeilijk concept om uit te leggen. Een wederkerend werkwoord verwijst naar een onderwerp, twee keer zelfs. We leggen het wederkerend werkwoord uit met een voorbeeld. We gebruiken het werkwoord “Schamen”. 

In het Nederlands als je je schaamt, zou je zeggen: “ik schaam me” wanneer je dit letterlijk zou vertalen naar het Engels zou je zeggen, “i ashame me” hier is “me” het wederkerend werkwoord. “jij schaamt je” zou in het Engels “you are ashamed” zijn, in deze zin in “je” het wederkerend werkwoord. In een zin wordt wordt het wederkerend werkwoord, natuurlijk, altijd bij het werkwoord geplaatst. Hopelijk hebben we het wederkerend werkwoord een beetje duidelijker gemaakt voor je. 

Kort meewerkend voorwerp en kort lijdend voorwerp

We hebben het meewerkend voorwerp en het lijdend voorwerp al besproken. Het kort meewerkend voorwerp en het kort lijdend voorwerp zijn de kortere versies hiervan. We zullen deze bespreken aan de hand van de volgende voorbeeldzin: Zij geeft het boek aan hem. ( in het Engels: She gives the book to him). In het Nederlands wordt deze zin vaak korter gemaakt tot: zij geeft hem het boek. Dit verkort het meewerkend voorwerp. Normaal zou dit “aan hem” zijn en nu is het korter gemaakt tot: “hem” hetzelfde geldt voor een kort lijdend voorwerp in een zin. 

Een lijdend voorwerp in een zin is kort wanneer het bestaat uit een van de volgende woorden: “me/mij, je/jou, haar, hem, het, ons, jullie en hen”. Om er achter te komen of een woord een kort lijdend voorwerp is moet je de vraag die we in een vorig stukje van deze tekst vermeld hebben beantwoorden: Wat [werkwoord] “het onderwerp”. Wanneer het antwoord een van de bovenvermelde woorden heeft, dan heb je een kort lijdend voorwerp. We hopen dat je nog steeds kan volgen, dit is het laatste extra onderdeel dat we hier zullen bespreken.

Interesse om meer te weten te komen met de Nederlandse grammatica. Ontdek alles hier over.

Conclusie van de nederlandse zinsbouw
Conclusie van de Nederlandse syntax

Onze Conclusies

We zeiden eerder al dat het Nederlands een moeilijke taal is. Echter hebben we de meest gebruikelijke zinsstructuur besproken en we hopen dat we het een beetje duidelijker voor je hebben kunnen maken. Er zijn een hele hoop verschillende onderdelen die aan de zinnen toegevoegd kunnen worden, we hebben hier een paar van besproken. Niets is in steen gegraveerd wanneer het gaat om de structuur van de Nederlandse zinnen. 

Daarom is het meest belangrijke ding dat je kan doen: oefenen, oefenen en nog eens oefenen en mensen vragen om je te verbeteren wanneer je iets fout zegt. De belangrijkste onderdelen die je moet onthouden zijn: Onderwerp, Persoonsvorm, tijd, manier, andere werkwoorden. Zo lang je deze in je de juiste volgorde hebt staat zou het normaal wel goed komen.

Als een Nederlandstalige persoon moet ik eerlijk toegeven dat ik denk dat de meeste Nederlandse mensen deze zinsonderdelen niet een voor een kunnen benoemen. Maar wij hebben dan weer het voordeel dat we dit automatisch leren. De zinsstructuur wordt altijd aangeleerd op school wanneer de kinderen 9 tot 10 jaar oud zijn. Veel succes met het studeren! 

>

Het platform dat privé leraren en leerlingen met elkaar verbindt

1ste les gratis

Vond je dit artikel leuk? Laat een beoordeling achter!

5,00 (1 beoordeling(en))
Laden...

Imanu