Economie gaat niet over geld sparen, maar over het slim spenderen - Thomas Henry Huxley

Inflatie, het marktmechanisme, deflatie, hoge rente, marginale spaarquota. De termen worden als het een beetje tegenzit in één artikel, in een adem genoemd. Kan jij nog volgen? Het zijn nochtans cruciale termen om de beginselen van de economie te kunnen volgen en up to date te blijven over wat er beweegt in de wereld rond jou. Om mee te zijn in jouw opleiding, of om gewoon je dagelijks leven slim te beheren.
In deze blog verzamelen we de 25 meest gebruikte termen, om je alvast op weg te helpen.

Lees ook:

De beste leraren Economie beschikbaar
1e les gratis!
Jari
Jari
35€
/u
1e les gratis!
Noah
Noah
15€
/u
1e les gratis!
Jef
Jef
20€
/u
1e les gratis!
Amata
Amata
19€
/u
1e les gratis!
Louis
5
5 (2 reviews)
Louis
24€
/u
1e les gratis!
Kevin
Kevin
20€
/u
1e les gratis!
Ella
Ella
15€
/u
1e les gratis!
Jonas
Jonas
25€
/u
1e les gratis!
Jari
Jari
35€
/u
1e les gratis!
Noah
Noah
15€
/u
1e les gratis!
Jef
Jef
20€
/u
1e les gratis!
Amata
Amata
19€
/u
1e les gratis!
Louis
5
5 (2 reviews)
Louis
24€
/u
1e les gratis!
Kevin
Kevin
20€
/u
1e les gratis!
Ella
Ella
15€
/u
1e les gratis!
Jonas
Jonas
25€
/u
1ste les gratis>

1. Welvaart

Welvaart in enge zin: de reële koopkracht per hoofd van de bevolking. De welvaart uitgedrukt in cijfertjes.
Welvaart in ruime zin: De mate waarin in de behoeften van mensen wordt voorzien. Ten opzichte van de welvaart in enge zin worden nu bijvoorbeeld de externe effecten en vrijwilligerswerk meegenomen.

2. Bruto Binnenlands Product (BBP)

Het bruto binnenlands product (bbp) van een land of van een regio is de marktwaarde van alle goederen en diensten die er op één jaar tijd worden geproduceerd. Samengevat is het dus hetgeen geproduceerd wordt gedurende een bepaalde periode in een bepaald land.
Het is een veel gebruikte maatstaf voor de welvaartscreatie van een land of regio. Om dubbeltarieven te vermijden neemt men niet de pure prijzen, maar de toegevoegde waarden.

3. Bruto Nationaal Product (BNP)

Het bruto nationaal product (bnp) is het totale inkomen van de mensen die in een land wonen, ongeacht of ze in dat land of het buitenland werken. Het bnp per hoofd van de bevolking is een veelgebruikte maatstaf voor de grootte van een economie. Men maakt niet zoveel gebruik meer van het BNP.

4. Rente

Rente is de vergoeding die men ontvangt bij het uitlenen van geld aan een persoon of instelling of die men betaalt wanneer men geld ontleent bij de bank. Het verschil tussen het bedrag dat de bank aan haar klant betaalt en het bedrag dat de klant betaalt aan de bank is de rentemarge. Dit is eigenlijk een soort winst voor de banken.

5. Inflatie

Dit is de aanhoudende algemene prijsstijging van de consumptiegoederen. Om het inflatiepercentage vast te stellen, baseert men zich op het indexcijfer van de consumptieprijzen. Om van inflatie te spreken, moeten de prijzen gedurende een lange tijd een doorlopende tendens tot stijgen vertonen.
Inflatie is dus de mate van de prijsstijging.

Economie-termen-inflatie
Inflatie is de aanhoudende algemene prijsstijging van de consumptiegoederen.

6. De Index der consumptieprijzen of de index

Het is een lijst van de prijzen van goederen en diensten. Deze lijst is opgesteld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek. De index wordt maandelijks bijgehouden en bepaald aan de hand van de waarde van de indexkorf met de belangrijkste consumptiegoederen en
diensten.
Ook weerspiegelt de index de evolutie van de levensduurte. In de index worden de producten en diensten opgenomen die representatief zijn voor het koopgedrag van de Belgische consument. Het indexcijfer van de consumptieprijzen meet dus de prijsevolutie van
de goederen en diensten die gezinnen consumeren. Het verloop van de indexcijfers toont de evolutie van de levensduurte voor de gezinnen.
Er bestaan namelijk twee versies van de index, het algemeen indexcijfer en de gezondheidsindex. Bij de berekening van dit laatste worden een aantal producten uit de korf gehaald: alcoholische dranken, tabak en motorbrandstoffen zoals benzine en diesel.

7. Consumentenvertrouwen

Het consumentenvertrouwen is de indicator die informatie geeft over het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten ten aanzien van de ontwikkelingen van de economie. Het consumentenvertrouwen is dus eigenlijk een statistiek die informatie geeft over het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten over de ontwikkelingen van de onjunctuur. De conjunctuurbarometer is een statisch instrument waarmee een omslag in de economische groeicyclus voortijdig kan worden gesignaleerd.

Economie-termen-consumentenvertrouwen
Het consumentenvertrouwen is de indicator die informatie geeft over het vertrouwen en de verwachtingen van consumenten ten aanzien van de ontwikkelingen van de economie.

8. Externe effecten

Effecten van productie en consumptie die niet zijn meegenomen in de verkoopprijs. Bijvoorbeeld milieuvervuiling bij vliegen, omdat de kosten voor het opruimen van de milieuvervuiling niet in de prijs van een vliegticket zijn verwerkt.

9. Werkgelegenheid

Het is een term die weergeeft of er voldoende werk is voor de beroepsbevolking van een land of streek.

10. Werkloosheid

De werkloosheid is de staat waarin een persoon verkeert als hij of zij werkloos is. Het is een maat voor het aantal personen dat in deze staat verkeert. Een persoon is werkloos als hij of zij geen betaald werk heeft, maar die dat wel zou willen. De werkloosheidsgraad verschilt duidelijk tussen de drie gewesten. Deze ligt in het Vlaams Gewest lager dan in het Waals gewest. Maar in het Waals gewest ligt de werkloosheid dan weer lager dan in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Over het algemeen is de werkloosheid het hoogst in grote steden als Brussel en Antwerpen, en het laagst in de landelijke gemeenten. In Vlaanderen zorgt de VDAB, de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding, ervoor om werkzoekenden te begeleiden in het vinden van werk. De controle op de werkloosheid is een federale bevoegdheid die uitgeoefend wordt door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, afgekort de RVA.

11. Surplus

Consumentensurplus: een meevaller voor de consument omdat de marktprijs lager is dan de prijs die de consument voor het product wil betalen. De consument wil bijvoorbeeld € 600 voor een laptop betalen en betaalt op de markt maar € 475 voor een laptop. Dan is het consumentensurplus voor deze consument € 600 - € 475 = € 125

12. Wisselkoers

Een wisselkoers is de prijs van een munt uitgedrukt in die van een andere valuta. Dit betekent dus de ruilverhouding tussen valuta. De wisselkoers wordt vaak bepaald door vraag en aanbod. Deze factoren oefenen een directe invloed uit op de wisselkoersen. Als er meer vraag is naar een bepaalde valuta zoals bijvoorbeeld dollar, euro, pond, yen,.. dan er aanbod is, dan zal de wisselkoers van die valuta stijgen.

economie-termen-wisselkoers
De wisselkoers is de prijs van een munt uitgedrukt in die van een andere valuta, dus de ruilverhouding.
De beste leraren Economie beschikbaar
1e les gratis!
Jari
Jari
35€
/u
1e les gratis!
Noah
Noah
15€
/u
1e les gratis!
Jef
Jef
20€
/u
1e les gratis!
Amata
Amata
19€
/u
1e les gratis!
Louis
5
5 (2 reviews)
Louis
24€
/u
1e les gratis!
Kevin
Kevin
20€
/u
1e les gratis!
Ella
Ella
15€
/u
1e les gratis!
Jonas
Jonas
25€
/u
1e les gratis!
Jari
Jari
35€
/u
1e les gratis!
Noah
Noah
15€
/u
1e les gratis!
Jef
Jef
20€
/u
1e les gratis!
Amata
Amata
19€
/u
1e les gratis!
Louis
5
5 (2 reviews)
Louis
24€
/u
1e les gratis!
Kevin
Kevin
20€
/u
1e les gratis!
Ella
Ella
15€
/u
1e les gratis!
Jonas
Jonas
25€
/u
1ste les gratis>

13. Het marktmechanisme

Het mechanisme dat in de economie regelt: wat, hoeveel, waar, door wie, wanneer, voor wie er wordt geproduceerd. Bij het marktmechanisme wordt dit geregeld door vraag en aanbod die de prijs van een product of dienst bepalen. Het marktmechanisme komt op veel plekken voor waarbij de prijs soms door een ander woord wordt beschreven. Voorbeelden:

  • Op de arbeidsmarkt noemt met de prijs die tot stand komt het loon.
  • Op de valutamarkt noemt men de prijs die tot stand komt de wisselkoers.
  • Op de vermogensmarkt noemt men de prijs die tot stand komt de rente.

14. Binnenlandse vraag of bestedingspatroon

Met bestedingspatroon bedoelt men de manier waarop een gezin haar inkomen besteedt. Wanneer het inkomen stijgt zullen ook de bestedingen stijgen. Het geheel van de particuliere (van de gezinnen), de overheidsconsumptie de investeringen (overheidsinvesteringen, bedrijfsinvesteringen en de investeringen in woongebouwen) en de in-en uitvoer van goederen en diensten vormt de binnenlandse vraag.

15. Substitutie en complementaire goederen

Substitutiegoederen: producten die elkaar kunnen vervangen. Bijvoorbeeld: Coca Cola en Pepsi Cola of aardappelen en rijst. Substitutie is een ander woord voor vervangen.

Complementaire goederen: producten die elkaar aanvullen. Bijvoorbeeld: koffie en koffiemelk en motoren en benzine.

16. Overheidsschuld

Overheidsschuld of staatsschuld is het totaal van de schulden van de overheid en de niet-centrale overheden (provincies, gemeenten, gewesten...) en de wettelijke sociale verzekeringsinstellingen. Het Verdrag van Maastricht beschrijft de staatsschuld als de nominale waarde van alle uitstaande brutoverplichtingen van de overheid aan het einde van een bepaalde periode.
De overheidsschuld ontstaan door een opstapeling van tekorten, omdat er elk jaar meer uitgaven zijn dan inkomsten. De staatsschuld kan vermindert worden door de uitgaven te verminderen met bijvoorbeeld bezuinigingen. Anderzijds kan men ook de inkomsten in de vorm van belastingen verhogen.

17. De economische kringloop

De economische kringloop wordt ook wel het kringloopmodel van de economie genoemd. Dit is een schematisch model van de werking van de economie als systeem. Deze kringloop is een voorstelling van de relaties tussen de gezinnen en de bedrijven in een land. Het laat een aantal macro-economische relaties zien: het gaat om wat de gezinnen of huishoudens gezamenlijk verdienen en
wat de bedrijven of ondernemers gezamenlijk produceren.

18. Emu

Emu is de afgekorte vorm van de Europese Economische en Monetaire Unie. Dit is het project dat bedoeld is om in de Europese Unie een monetaire unie met een geharmoniseerde economische politiek in te richten. Normaal gezien zijn alle 28 lidstaten van de EU ook lid van de Europese Economische en Monetaire Unie. Het begrip EMU beperkt zich vaak tot de landen die aan de derde fase deelnemen, dat wil zeggen de landen die de euro als munt hebben ingevoerd.

19. Voorraad en stroomgrootheden

Voorraadgrootheid: een grootheid die op een bepaald tijdstip wordt gemeten (bijvoorbeeld de hoeveelheid spaargeld op je rekening).

Stroomgrootheid: een grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten (bijvoorbeeld de bijschrijvingen en afschrijvingen van je rekening in de maand april).

20. Productiecapaciteit

De maximale productie die kan worden gehaald. Dus de productie die mogelijk is als alle machines en mensen die er zijn maximaal worden ingezet.

Economie-termen-productiecapaciteit
Productiecapaciteit is de maximale productie die kan worden gehaald, bijvoorbeeld in een autofabriek.

21. Conjunctuur

Conjunctuur of fluctuatie is de verandering van het groeipercentage van de economie of productie op de korte termijn. Er zijn verschillende fasen van de conjunctuur. Als de productiegroei vertraagt of zelfs negatief wordt dan spreekt men van een recessie. Als de productie lager is dan de productiecapaciteit van een land spreken we van laagconjunctuur. Als de productie groter is dan deze productiecapaciteit heerst een hoogconjunctuur.

22. Verzonken kosten

Gedane investeringen kunnen niet meer worden terugverdiend. Bijvoorbeeld als er flyers zijn gemaakt voor een feest en het feest gaat niet door kunnen de kosten van het drukken van de flyers niet meer worden terugverdiend.

23. Marginale spaarquota

Het is de verhouding tussen de stijging van de besparingen en de stijging van het nationaal inkomen. Het is de richtingscoëfficiënt in de spaarfunctie. In tijden van economische crisis sparen we veel meer, maar dit is nadelig voor de economie.

24. Investeringen

Investeren is het aankopen van bedrijfsmiddelen, ook vaste kapitaalgoederen genoemd. Voorbeelden van bedrijfsmiddelen zijn machines, gebouwen, … Ze zijn dus nodig om goederen te kunnen produceren en diensten te kunnen leveren.

25. Uitvoer en invoer van goederen en diensten

Met de uitvoer van goederen en diensten bedoelt men de verkoop van goederen en diensten aan de niet-ingezetenen van een land, d.w.z. het buitenland. Met de invoer van goederen en diensten bedoelt men de aankoop van goederen en diensten van de niet-ingezetenen van een land. De invoer moet groter zijn dan de uitvoer wil men een positieve handelsbalans bekomen. Indien dit niet het geval is, is dit nadelig voor de economie van het land in kwestie. Men kan de uitvoer stimuleren en de invoer beperken door maatregelen zoals invoerrechten, importquota, importverboden, exportsubsidies, belastingvoordelen,..

Heb je een leraar Economie nodig?

Vond je dit artikel leuk?

5,00/5 - 1 waardering(en)
Laden...

Geraldine

Copywriter, leraar en allround curieuzeneus. Als fulltime taaladdict en parttime geluksridder ga ik telkens op zoek naar interessante invalshoeken en verfrissende methodes, om de wereld net dat tíkje anders te zien. Met woorden die naast het hoofd ook het hart masseren. www.geraldinedewart.com